submenu

Daniel Nagels, ervaren rugbyman - 09/11/2020

‘Een boevensport voor gentlemen’

Daniel Nagels zit vijftig jaar in het rugby. Eerst als speler bij de Boitsfort Rugby Club in Watermaal-Bosvoorde, en daarna als coach bij verschillende clubs en bij de nationale jeugdploegen.

Met zijn 64 jaar nadert hij zijn pensioen en blikt hij terug op zijn bewogen carrière in een harde maar edele sport.

Daniel Nagels woont graag in Wezembeek-Oppem. ‘We zitten op den buiten maar ook kort bij de metro. En dicht bij de rugbyclubs die ik nog steeds volg, ook al omdat mijn dochter nu bij Boitsfort Rugby Club is beginnen te spelen, in het vrouwencircuit.’ De ouders van Nagels zijn afkomstig van Melkwezer, een dorp van twee straten tussen Sint-Truiden  en Tienen. Maar hij werd geboren in Bosvoorde en opgevoed door zijn grootouders in Elsene. Hij sprak thuis Nederlands, op school Frans, en zijn eerste hobby was voetbal.

‘Maar ik had als kind een beetje schrik om te spelen. Tot een aantal van mijn vrienden met rugby begonnen. Dat was toen verzekeringsmaatschappij Royale Belge zich in 1970 op de Vorstlaan installeerde. Werknemers hebben daar toen de club van Bosvoorde gesticht, en ze kwamen in de wijken reclame maken om lid te worden. Ik ben mijn vrienden gevolgd, en plots had ik geen schrik meer om andere spelers te tackelen. Ik veronderstel omdat de benadering van de trainers zo goed was. Ik weeg vandaag nog altijd maar 69 kilo. Ik was dus geen zware speler, maar ik had geen schrik om mensen van 100 kilo te stoppen. Dat hielp me ook om me beter in mijn vel te voelen.’

Kwetsuur

Na zijn jeugdopleiding heeft Nagels tien jaar bij de seniorenploeg van Bosvoorde in de eerste afdeling gespeeld. Eén keer is hij ook geselecteerd geweest voor de beloften van de nationale ploeg die naar de wereldbeker in Madrid gingen. ‘Maar ik mocht niet van mijn grootouders, omdat ik dan een week school zou missen. Ze dachten dat ik later nog wel zou worden opgeroepen, maar dat is nooit meer gebeurd.’ Zijn spelerscarrière kwam ten einde door een fatale kwetsuur. ‘Mijn meniscussen waren al zeven keer geopereerd toen bij een tackle in Visé ook een kruisband, een laterale band en een achillespees afscheurden. ‘Nu is het tijd om te gaan fietsen’, zei de dokter.’

Toch zei Nagels het rugby geen vaarwel. Hij begon te coachen. ‘In het rugby zegt men dat je de sport moet teruggeven wat ze je gegeven heeft.’ En dat is niet de enige uitdrukking die de sportieve kant van het rugby in de verf zet. ‘In het Frans zeggen ze ook c’est un sport de voyous, joué par des gentlemen – een boevensport gespeeld door gentlemen.’ Het tegendeel van voetbal dus, zullen kwatongen beweren.

‘Die instelling is er al vanaf de jeugd. Spelen kan vanaf zes jaar, maar vóór de humaniora is er geen echte competitie. Tot zolang heb je nationale bijeenkomsten waar de jeugdcategorieën van verschillende clubs tegen elkaar spelen. En als een bepaalde ploeg spelers te kort heeft voor een wedstrijd, zal een andere zelfs spelers afstaan. Eén van de basisregels is dat iedereen speelt. Ook zwaarlijvige kinderen die minder snel lopen, hebben hun plaats. Bijvoorbeeld in de scrum, of voor het heffen van de spelers. Daarnaast heb je lichtere jongens die snel lopen of jongens die wat slimmer zijn.’

Met vijftien spelers in vijf blokken op het veld is er voor elk type een functie. ‘Je hebt ook jongens die makkelijker tackelen maar sneller passen en minder verantwoordelijkheid nemen om zelf te scoren, en spelmakers die het vuile werk eerder aan anderen zullen overlaten. Maar bij de jeugd laten we jongens en meisjes met de ene kwaliteit ook oefenen op de andere.’

Daarnaast zijn er nog etiquetteregels. ‘Je mag erin vliegen, maar volgens de regels. En als je scoort, klap je niet in je handen. Je zegt niets tegen de scheidsrechter. Je maakt geen cinema als je op de grond ligt. We voeden de spelers op tot volwassen mensen. Als je de regels kent, en je zou verhuizen naar pakweg Peru en daar bij een rugbyclub gaan, dan zullen de mensen van die club je daar graag aan een job willen helpen, omdat ze weten dat je iemand bent op wie ze kunnen rekenen. Ik heb in mijn ploegen met chirurgen, slagers, sociaal assistenten en ingenieurs van Solvay gespeeld, maar op het veld speelt het geen rol meer wat je achtergrond is.’

Nationale ploeg

Als coach bij zijn ‘eigen’ Boitsfort Rugby Club is Nagels verschillende keren kampioen geworden. Die grote club heeft ook een heel goede rugbyschool. ‘Op die manier ben ik dan bondscoach geworden, ook al omdat ik de twee talen spreek. Ik ben meer dan tien jaar bondscoach geweest van de U16 (de min-zestienjarigen, red.) en de U18. Vaak samen met Denis Duchau die nu zeventig is en nog altijd coacht bij de dames van Bosvoorde. Met de U18 van de nationale ploeg heb ik aan een WK en een EK deelgenomen, en ik ben ook een jaar lang assistent-bondscoach van de senioren geweest.’

Op dit ogenblik gaat het trouwens best goed met het rugby in België. ‘De zes beste landen ter wereld – Engeland, Wales, Schotland, Ierland, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika – spelen traditioneel het zeslandentoernooi, maar in de afdeling van zes landen daaronder zit België naast toppers als Roemenië, Georgië, Rusland, Spanje en Portugal. Er spelen ook veel spelers bij goede buitenlandse ploegen.’

In België concentreren de clubs zich vooral in Brussel, Waals-Brabant en Henegouwen. De enige Vlaamse ploegen in de eerste afdeling zijn Dendermonde en Oudenaarde. De andere zijn Bosvoorde, Terhulpen, Waterloo, Schaarbeek, Zinnik en Ottignies. Bij die laatste club heeft Nagels als coach ook een finale van de Beker van België en twee play-off-finales van het Belgisch kampioenschap betwist. De enige rugbyclub uit de Vlaamse Rand in nationale is Pajot, een club die in de derde afdeling speelt. Het laatste wapenfeit van Nagels tot nu toe was het coachen van de rugbyploeg van Anderlecht, waar ook veel Nederlandstalige spelers zitten. ‘Daarmee was ik graag nog naar de eerste afdeling gepromoveerd, maar dat is net niet gelukt.’

 

Tekst: Michaël Bellon
Foto: © Tine De Wilde
Uit: uitgekamd november 2020