submenu

De afscheidsbrief - 29/10/2020

Frans Janssens

‘Augusta Antoinetta Joséfina De Koninck, zo heet wijlen mijn vrouw voluit,’ begint Frans Janssens te vertellen, ‘maar iedereen noemde haar José.

Ze werd in juli 1938 geboren en was amper vijf toen ze haar vader Kamiel verloor. Hij was verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog, maar hij werd verraden en op 30 september 1943 door de Duitsers gefusilleerd. Zijn laatste wens was een afscheidsbrief schrijven naar zijn vrouw en zes kinderen. De droevige brief bewaarde José zorgvuldig in haar portemonnee.’

‘Later ben ik samen met José op zoek gegaan naar de precieze plek waar Kamiel gedood werd. Dat was op het binnenplein van de gevangenis van Sint-Gillis. De directeur wees ons de muur aan waartegen de verzetsstrijders geplaatst werden. Waar er nieuwe stenen gemetseld waren, daar hadden de kogels zich in de muur geboord.’

‘Na de oorlog, in de jaren 1945 tot 1947, kregen de zogenaamde bleekneusjes-kinderen de kans om in pleeggezinnen bij te komen van alle oorlogsontberingen. José werd samen met haar jongere broer naar Zweden gestuurd, maar niet naar hetzelfde gezin. José belandde bij een kinderloos echtpaar: papa Nils en mama Liesbeth. Na de geplande drie weken keerden ze terug naar België. Maar Josés pleegouders wisten haar moeder te overtuigen om ‘hun kindje’ terug naar hen te sturen. Zo groeide José op in Zweden.’

‘Op haar achttiende moest ze kiezen welke nationaliteit ze definitief wou.  Uit eerbetoon voor haar vader koos ze voor de Belgische nationaliteit. In haar eentje reisde ze terug naar hier om alle paperassen te regelen. Maar bij haar echte familie trof ze geen warm welkom. Na al die jaren afwezigheid was ze voor hen een vreemde geworden. José sprak ook geen Nederlands meer. Mijn moeder ontfermde zich over haar: ‘Ze mag hier eten, een bord meer of minder …’ Zo leerde ik José kennen: een mooie stralende vrouw.’

Slechts drie maanden tijd had ik om haar hart te veroveren, want dan zou ze terugkeren naar Zweden. Met veel gebaren en weinig woorden is me dat gelukt. José schreef haar pleegouders: ‘Ik heb hier een lieve jongen leren kennen, hij heeft blond haar en blauwe ogen.’ Het prototype van een Zweed, dat moest hen overtuigen. José is gebleven, we zijn getrouwd en kregen samen een zoon, Charles. We hebben er nog over gedacht om naar Zweden te verhuizen, maar ginds zouden we altijd ‘de vreemdelingen’ blijven. En het bedrijf Solvay, waar ik laboratoriummedewerker was, bood zijn werknemers in die periode de kans om hier in Wezembeek-Oppem grond en een huis te kopen.’

‘Het bedrijf had hier grond gekocht om een labo te starten, maar dat plan ging niet door. Josés pleegouders hebben ons het geld voor het huis cadeau gedaan. Maar helemaal thuis voelde José zich hier niet, ze miste Zweden. Vandaar dat ze in ons huis een eigen plek had waar ze al haar Zweedse souvenirs uitstalde. Toen José ziek werd, zat ze er elke dag in haar zetel, tot ze in 2005 overleed. Sindsdien hebben mijn zoon en ik de plek uit eerbetoon intact gelaten.’

 

Tekst: Karla Stoefs
Foto: © Tine De Wilde
Uit: uitgekamd november 2020